zondag 12 mei 2013

Erich Kästner over de nazi-boekenverbranding 80 jaar geleden
 
Exact 80 jaar geleden, op 10 mei 1933, brandden op het Operaplein in Berlijn (en in vele andere Duitse steden) de boeken van linkse en joodse schrijvers. Erich Kästner schreef er een ooggetuigenverslag over.

Propagandaminister Goebbels prees de boekenverbranding.
Op de avond van tien mei werd het werk van de joodse auteurs Lion Feuchtwanger, Stefan Zweig en Kurt Tucholsky in de vlammen geworpen. Ook het oeuvre van de gebroeders Mann, van Erich Kästner en van de vliegende reporter Egon Erwin Kisch moest eraan geloven. Hetzelfde lot ondergingen de boeken van Ernest Hemingway, John Dos Passos, Upton Sinclair en Jack London. Heel wat auteurs uit de Sovjetunie worden in de vuurpoel gegooid: Maxim Gorki, Isaak Babel, Alexandra Kollontai en Ilja Ehrenburg. Verder de Fransman Henri Barbusse (‘Het vuur’) en de Tsjech Jaroslav Hašek (‘De lotgevallen van de brave soldaat Švejk’).
Dat initiatief van rechtse studenten werd door de nazi’s gesteund. Een bedrijf dat gespecialiseerd was in de pyrotechniek nam eerst poolshoogte en constateerde dat het hoofdstedelijk plaveisel niet onder de hitte zou lijden, als er maar voldoende zand onder de brandstapel werd gelegd.

Das Land wo die Kanonen blühen

Ook de schrijver Erich Kästner (1899-1974), wiens eigen boeken, waaronder de roman ‘Fabian, werden ‘terechtgesteld’, stond op de avond van 10 mei op het Operaplein. In ‘Kennst du das Land, in dem die Kanonen blühen?’ beschreef Kästner later hoe beroerd hij zich had gevoeld toen hij zijn werk zag branden: het was alsof hij zijn eigen begrafenis bijwoonde. Toen hij door de omstanders werd herkend, zette Kästner het op een lopen, uit angst gemolesteerd te worden. Kästners verslag verscheen nu samen met drie andere opstellen over het verbranden van literatuur in een kleine publicatie onder de titel ‘Über das Verbrennen von Büchern’.

Volgens Kästner was Joseph Goebbels verguld met de boekenverbranding, vooral omdat de nazi-propagandaminister op een verdoken manier wraak kon nemen voor zijn mislukte schrijverscarrière. In 1929 publiceerde Goebbels bij de extreemrechtse uitgeverij Eher zijn roman ‘Michael. Ein deutsches Schicksal in Tagebuchblättern.’ Niemand keek ernaar om. Meer succes had Goebbels’ geschiedenis over de opgang van het nazisme, ‘Vom Kaiserhof zur Reichskanzlei’, dat bij dezelfde uitgever tot 1943 eenenveertig keer werd herdrukt. Maar dat was dan ook verplichte lectuur.

Vurige studentenactie

In de nacht van 10 op 11 mei prees Goebbels op het Operaplein de vurige studentenactie tegen de ‘on-Duitse geest’. Goebbels’ speech werd rechtstreeks door de radio uitgezonden en een dag later noteerde hij in zijn dagboek: ‘In de late avond een redevoering op het Operaplein. Voor de brandstapel van de “Schmutz und Schundliteratur” die door de studenten in de fik is gestoken. Ik ben in topvorm. Enorme volkstoeloop.’

Autodafe

In ‘Über das Verbrennen von Büchern’ plaatst Kästner het autodafe van 1933 in een ruimere context. Hij herinnert aan de boekenverbrandingen onder Cortés, Cromwell en Calvijn. In 1965 werd Kästner nog eens het slachtoffer van een openbare boekenverbranding. Een fundamentalistische christelijke groepering verbrandde in 1965 in Düsseldorf romans van hemzelf en verder van Günter Grass, Albert Camus, Vladimir Nabokov en Françoise Sagan.

In zijn boekje doet Erich Kästner een oproep om de symptomen van de tirannie vroeg genoeg te bestrijden: ‘Dreigende dictaturen kunnen alleen bestreden worden voor ze de macht overgenomen hebben. Dat is een kwestie van de agenda, niet van de heldhaftigheid.’


Piet de Moor

Geen opmerkingen:

Een reactie posten